Om 6:30 stapt de monteur in de bus voor de deur. Koffie op, tas met gereedschap achterin, de eerste klant staat op 45 kilometer. Hij rijdt de snelweg af, dan een provinciale weg, dan een erf, en om 7:45 zet hij de motor uit. Een uur en een kwartier zijn voorbij. Niemand heeft hem in die tijd gebeld, maar de planning stond al klaar op zijn telefoon, de volgorde van de klanten voor die dag lag al vast, en als er onderweg iets tussenkwam, een spoedmelding, een adreswijziging, dan was hij degene die erop moest reageren. Op papier begint zijn werkdag pas bij die eerste voordeur. In werkelijkheid begon hij toen hij zijn huissleutel omdraaide, en dat verschil van anderhalf uur, heen en terug, verdwijnt gewoon uit het rooster alsof het nooit heeft bestaan.
Dat verschil, tussen wanneer de dag volgens het rooster begint en wanneer hij in werkelijkheid begint, is precies waar het Hof van Justitie van de Europese Unie zich in 2015 over boog. De zaak kwam uit Spanje: beveiligingsbedrijf Tyco had zijn regiokantoren gesloten en werkte alleen nog vanuit Madrid. De technici die beveiligingsinstallaties plaatsten en onderhielden, kregen geen vaste standplaats meer toegewezen. Ze reden voortaan rechtstreeks van huis naar de eerste klant en van de laatste klant weer naar huis, soms met ritten van meer dan honderd kilometer en drie uur onderweg. Tyco telde die uren niet mee als werk, en behandelde ze als een privéaangelegenheid van de monteur, vergelijkbaar met een gewone woon-werkreis. Het Hof oordeelde anders: bij werknemers zonder vaste of gebruikelijke werkplek is de reis naar de eerste klant en van de laatste klant naar huis onlosmakelijk verbonden met de aard van het werk zelf, en dus arbeidstijd (C-266/14, arrest van 10 september 2015).
De redenering van het Hof is nuchter en daarom lastig te ontkennen. Wie geen vast kantoor heeft om vanuit te vertrekken, kan de werkplek niet beperken tot het adres waar hij die dag toevallig staat te werken, want dat adres verandert elke ochtend opnieuw. Onderweg kan de werkgever bovendien nog steeds instructies geven: een klant afzeggen, een adres wijzigen, een extra stop toevoegen tussen de eerste en de tweede afspraak. De werknemer staat dus ter beschikking, ook al zit hij achter het stuur en al lijkt het voor de buitenwereld op een gewone rit naar het werk. Dat is precies het criterium dat de Arbeidstijdenwet hanteert: tijd waarin iemand onder gezag van de werkgever staat of zich ter beschikking moet houden, telt mee voor de arbeidstijd, ongeacht of er op dat moment fysiek gewerkt wordt.
Reistijd die niemand vastlegt, telt uiteindelijk voor niemand mee.
Begin met bewijzen wanneer de dag echt start.
Open je proefperiodeWaarom het meetelt voor loon én voor arbeidstijdgrenzen
Het onderscheid tussen arbeidstijd en betaalde tijd is subtiel, en juist dat subtiele verschil zorgt voor de meeste discussies op de werkvloer. Het Tyco-arrest zegt dat de reistijd meetelt als arbeidstijd onder de Europese arbeidstijdenrichtlijn, niet dat de werkgever die uren automatisch moet uitbetalen als loon: dat laatste regelt de arbeidsovereenkomst of de cao, en de Nederlandse wet verplicht op zichzelf geen vergoeding voor reistijd. Maar zodra iets als arbeidstijd geldt, gaat het wél meetellen voor de wettelijke grenzen: de maximale arbeidsduur per dienst, de verplichte rusttijd tussen twee diensten, de grens van gemiddeld achtenveertig uur per week over een langere periode. Tel je de reisuren niet mee, dan lijkt een dienst binnen de marges te blijven terwijl dat in werkelijkheid niet zo is, en dan is niet alleen de beloning het probleem, maar de naleving van de wet zelf, met alle risico’s van dien zodra iemand ernaar gaat kijken.










